Leergoesting bij jongeren als sleutel tot levenslang leren

Graag leren op school

Hoe stellen onze kinderen en jongeren het vandaag op school? ‘Gaan ze graag naar school?  Leren ze graag?’  Het zijn vragen die we ze vaak stellen, maar waar we niet altijd een duidelijk antwoord op krijgen.

Uit de bevraging van de Vlaamse scholierenkoepel (2010)  blijkt dat ‘graag naar school komen’ niet automatisch impliceert dat leerlingen ook ‘graag leren’. Ruim 83% van de leerlingen uit het basisonderwijs geeft aan dat ze zich goed tot zeer goed voelen op school. In het secundair onderwijs zien we nagenoeg een gelijkaardig beeld. Leerkrachten geven om hun leerlingen en werken actief aan een positief schoolklimaat. Een mooie score dus. We krijgen echter een ander beeld te zien wanneer we hen de vraag stellen of ze ook graag leren. Voor het basisonderwijs daalt het cijfer dan naar 70%. Die dalende trend versterkt nog in het secundair, waar de leerlingen een score toekennen van 63% voor graag leren op school. 

Vrienden zijn als gidsen

Graag leren en graag naar school gaan, zijn twee factoren die leerlingen niet per se met elkaar verbinden. Laten we er geen doekjes om winden: jonge kinderen kijken enorm op naar hun juf of meester maar, naarmate ze ouder worden, zijn het vooral de vrienden die het meeste invloed hebben op het welbevinden op school. Logisch natuurlijk, je leeftijdsgenoten zijn immers dé gidsen om sociale competenties te oefenen. Om je te spiegelen, om te kopiëren, om het gedrag te oefenen van iemand die je graag zou willen zijn. Kortom, om je te leren verhouden tot de ander. ‘Warme scholen’ hebben aandacht voor die broze evenwichtsoefening en bieden hun leerlingen kansen om die ‘social skills’ in een veilige omgeving te oefenen. Minister van onderwijs Hilde Crevits benadrukte in haar recente publicatie ‘Werken aan een verbindend schoolklimaat’ het belang van het empoweren van onze leerlingen door hen te betrekken in het sociale weefsel van de school.  ‘Peer mediation’  is hiervan een krachtig voorbeeld. Bij peer mediation worden leerlingen opgeleid om als ‘confixers’ hun leeftijdsgenoten bij te staan in het zoeken naar een antwoord op een conflict. De methodiek biedt dus oefenruimte om sociale vaardigheden effectief toe te passen in levensechte situaties. Bij peer mediation wordt het sociaal gewenste gedrag dus niet door een gezagsfiguur afgedwongen, maar leren kinderen en jongeren elkaars gedrag te corrigeren. Dergelijke positieve benadering werkt aanstekelijk voor alle betrokkenen op school en heeft een direct effect op het welbevinden van de leerling.

Geef ze de oefenruimte

In een lagere school in Kaster (West-Vlaanderen) kan je zien hoe men de leerlingen leert omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid tijdens de speeltijd. De speelplaats is ingedeeld in drie zones (groen, oranje en rood). In elke zone is het spelaanbod gelinkt aan de mate van zelfstandigheid  van de kinderen.

* In de groene zone mag je vrij spelen. Er zijn fietsen, er is klim- en klautermateriaal, je kan voetballen of in de voortuin spelen. De oudste leerlingen staan mee in voor de veiligheid en de sfeer tijdens het spel.

* Wie in de oranje zone speelt, heeft nog niet (of toonde te weinig) de skills om op een verantwoordelijke manier met de vrijheid tijdens het spel om te gaan. Hier leer je in een gecontroleerde omgeving hoe je je in de groene zone moet gedragen en wat samen spelen betekent. Het aanbod richt zich op het spelen in kleine groepjes.

* Er is ook een rode zone waar je tijdelijk in een omgeving gebracht wordt waar in een één op één relatie gewerkt wordt aan specifieke sociale vaardigheden. Deze worden daarna in de oranje zone ingeoefend.  

In de leefschool ‘t Groene Poortje in Kaster leren leerlingen stap voor stap met vrijheden omgaan en wordt het gewenste sociale gedrag zichtbaar gemaakt en aangeleerd in levensechte situaties. Sociale vaardigheden oefenen kan dus leuk zijn.

Mevrouw, is het voor punten?

Maar wat dan met ‘graag leren’? Zijn de leeftijdsgenoten hierin ook bepalend? Het antwoord op deze vraag kunnen we samenvatten in het sleutelbegrip ‘connectie.’ De mate waarin leerlingen zich willen engageren voor een leeractiviteit, wordt bepaald door de ‘connectie’ die ze ermee kunnen maken.  Een opdracht die met een ‘punt’ gewaardeerd wordt, kan voor sommige leerlingen connectie uitlokken, maar voor leerlingen die uitgerekend moeite hebben met dat vak roept een puntenbeoordeling net ‘disconnectie’ op. “Hier haak ik af” of “dit lukt me nooit”  is dan de inwendige denktaal die leerlingen als barrières voor zichzelf gaan opwerpen. Competitie in het leren is slechts voor een klein deeltje van de groep uitnodigend, namelijk voor zij die een zeker comfort ervaren in dat specifieke vak. Voor alle andere leerlingen zien we een negatieve invloed op de ‘goesting’ voor het leren optreden.  

Nochtans kunnen wij met enkele doordachte ingrepen de connectie met het leren voor elke leerling uitlokken.  Connectie maken met het leren, situeert zich op drie niveaus: de aanleiding tot het leren, de strategie voor het leren en het leerrendement.

1.   Connectie met de aanleiding voor het leren: ‘Wat maakt het uit, ik kom daar nooit!’

Vraag aan de gemiddelde Vlaamse scholier wat hij/zij over het ‘leren op school ’denkt en  je krijgt  steevast een antwoord in het genre van: saai, boring, boeitnie, whatever… Nochtans proberen de meeste leerkrachten hun kennis en inhouden met passie over te brengen op het jonge volkje, maar dan nog staren sommige leerlingen voor zich uit alsof er een metersdikke muur tussen hen beiden staat. Waar zit dan de missing link? De Nederlandse komiek Hans Teeuwen drukt het op de volgende manier uit: “Weet je wat ze mij op school ooit probeerden te leren? Dat er op de bodem van de oceaan bijna onzichtbaar beestjes zich ongeslachtelijk voortplanten ... Wat maakt het uit, ik kom daar nooit!” Deze quote brengt eigenlijk heel scherp in beeld hoe leerlingen zich in sommige lessen voelen. Ze ondergaan het leren en maken er geen connectie mee. Om het leren opnieuw betekenis te geven, moet de aanleiding tot het leren duidelijk gemaakt worden in de leerintenties. De Dene Magna school in het Engelse Gloucestershire wordt internationaal erkend voor haar excellente werk in het motiveren van leerlingen. Elke leerling wordt geconnecteerd aan het leren door te focussen op drie strategische zinnen:

* We are learning to (WALT) 

Elke leerling moet doorheen het leerproces steeds kunnen uitleggen wat hij/zij aan het leren is. Dit is voor veel leerlingen echter even wennen. Meestal kunnen leerlingen vlot vertellen wat ze aan het doen zijn, bijvoorbeeld “‘k Ben deze oefening over breuken aan het maken,” maar kunnen ze zelden uitleggen wat ze daardoor aan het leren zijn, namelijk “Ik leer breuken op een gelijke noemer zetten.”  Door de vaardigheid, de kennis of de attitude die in die les getraind wordt te benoemen, wordt de leeropbrengst ook meteen duidelijk.

* What I’m looking for (WILF) 

Of, welk leergedrag wil ik straks bij jou zien? Als leerlingen te horen krijgen welk gedrag je waardeert of wat je zal meten, dan zijn ze ook vlug geneigd om dat gedrag te tonen. Sterker nog, ze zullen elkaar gaan aanmoedigen om juist dat gedrag te tonen. Als het verwachte leergedrag duidelijk is voor de groep, dan is het als leerkracht ook heel eenvoudig om hierover feedback te geven. En hier geldt de gulden regel: ‘Geef ze een pluim en ze krijgen vleugels!’

* This is important because (TIB) 

Deze zin heeft misschien nog het meest impact op de leermotivatie van de leerling, namelijk de reden waarom ik dit zou leren. Als leerlingen inzicht verwerven in de inzetbaarheid van het geleerde, bijvoorbeeld het persoonlijke voordeel, de maatschappelijke relevantie, de toepasbaarheid, de status van het onderwerp … dan is de ‘goesting’ om het te beheersen veel sterker. Onderwijsonderzoeker John Hattie (2012) vult hierbij aan dat de effectiviteit van het leren aanzienlijk verhoogt als leerlingen zichzelf vooraf mogen inschatten t.o.v. het leerdoel. ‘Wat weet ik al over dit onderwerp en welke ondersteuning heb ik nodig om dit te kunnen?’ Op die manier stellen leerlingen haalbare verwachtingen aan zichzelf en zijn ook meestal succesvoller in het bereiken ervan.

2.   Connectie met de strategie van het leren

Elk schooljaar organiseert Eekhout Academy ‘De dag van de zorgverbreding’ voor het basisonderwijs. Dit jaar sprak professor Kris Van den Branden er over duurzaam onderwijs voor de 21ste eeuw. In het huidige debat over het vernieuwen van de eindtermen voor ons onderwijs is het niet enkel van belang om te weten WAT er geleerd moet worden, maar ook HOE we dit straks met de leerlingen zullen leren. In het onderwijs van de 21ste eeuw draait het leren om verbinding maken met elkaar. Het leren gebeurt het liefst op een actieve manier en verbindt leerlingen in coöperatieve strategieën. In zijn referaat zegt de professor het als volgt: “Het curriculum voor de 21ste eeuw ziet er anders uit dan dat van de vorige eeuw. Voeg aan elk vak of leerdomein de woorden ‘laten werken’ toe en je krijgt een andere beleving van het onderwijs.” Geef je bijvoorbeeld het vak Nederlands dan is het de uitdaging om dat Nederlands te “laten werken” bij je leerlingen. Laat ze ermee aan de slag door bijvoorbeeld poëzie te schrijven of door brieven aan ouders samen op te stellen. Leerlingen maken connectie met de wijze waarop ze leren niet door te leren OVER iets, maar door te leren DOOR ermee aan de slag te gaan.

Deze benadering van het leren verbindt de leerling met de leerstof, omdat het leren en de leerwinst zichtbaar worden. Er wordt samen gepland, ontworpen, gecreëerd, ervaren ... De kennistransitie verloopt hierbij niet uitsluitend via de leerkracht,  maar evenveel of zelfs het meest via de leerlingen onderling. Samenwerkend leren geeft leerlingen meer ‘goesting’ in leren en maakt een sterke connectie met WAT en HOE er geleerd wordt.

3.   Connectie met het leerrendement

Weten waarom, wat en hoe je leert zijn sterke startblokken om de connectie met het leren te verhogen, maar ook het leerrendement is hierin een bepalende factor. Elke leerling wil uiteindelijk toch succes ervaren. In de realiteit zien we verschillende snelheden in de klas. Het leertempo, de kwaliteit van het geleverde werk en het niveau van de leerlingen kan onderling zeer verschillend zijn, zelfs in die mate dat de doelen voor de ene leerling verrijkt kunnen worden, terwijl ze voor de andere best vereenvoudigd worden. Directeur Wim Lambrechts (Mijn school Hasselt) verwoordt het als volgt: “Het ontwikkelpotentieel is voor elke leerling hetzelfde, het ontwikkeltempo is uniek.  In dat

opzicht dreigen we meer en meer in conflict te komen met de grenzen van het jaarklassensysteem.” Bepaalde leerlingen hebben nu eenmaal meer tijd nodig en andere minder om een doel te bereiken. Die tijd hebben we en kunnen we hen eigenlijk ook geven. Een recent onderzoek (UGent 09/02/2016) van doctoraatsstudent J.De Meyer toont aan dat het onder druk zetten van leerlingen een negatieve (en directe) invloed heeft op de leerprestatie. Het ondersteunen van het leerproces en het versterken van de autonomie is een veel beter alternatief, zo blijkt.  

Het tempo mag dan wel verschillen, de leerwinst is voor elke leerling even belangrijk.  “Een traag groeiende boom, kan zich ook ontwikkelen tot de hoogste boom van het bos.” (Professor Lafosse, 2010) Als de leerwinst (individueel of coöperatief) zichtbaar wordt, dan komt er energie vrij om verder en dieper te leren.

Maar weten onze leerlingen eigenlijk wel waar ze staan in hun groei? Wie houdt de leerwinst bij? De leerkracht? Het trimesterrapport? Of kunnen leerlingen zelf hun vorderingen (hoe minimaal ook) documenteren, aantonen en verantwoorden? Inzicht hebben in je groei en je competent mogen voelen, zijn immers cruciale ‘vitamines voor de groei’.

Wil je meer info over motivatie in de klas? Bekijk dan zeker even onze interessante vormingen die je kunnen helpen!

Schrijf je hier in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van ons aanbod!

23/8/2017

Recentste blogposts:

Overzicht van alle blogposts > > >