Het opzetten van systematische kwaliteitszorg

Hoe meet je de kwaliteit van een school? Eigenlijk zou je daarvoor moeten kunnen het aandeel van de school meten in de leerwinst van een leerling. Onbegonnen werk. Je zou een nulmeting moeten doen aan de start van het traject en een gekalibreerde en gevalideerde eindmeting aan het eind van het traject. En zelfs dàn nog: je zou niet te weten komen wat het aandeel van de school nu precies was in de gerealiseerde leerwinst.

De inspectie heeft dat lange jaren opgelost door te kijken naar de mate waarin leerplannen ‘gerealiseerd’ werden. Waarbij ‘gerealiseerd’ nogal vaak stond voor ‘administratief aantoonbaar behandeld’. Qua doelmatigheid kon dat om tal van redenen beter. Het nieuwe ROK probeert daarvan af te stappen en te werken met kwaliteitsverwachtingen die vertaald worden in kwaliteitscriteria. Op die manier probeert men een instrument aan te reiken waarmee elke school zelf kan werken aan de eigen kwaliteit.

Wie wil weten of de motor van zijn wagen goed functioneert, zou eigenlijk continu de compressie in de motor moeten kunnen meten. Daarmee weet je eenduidig hoe kwaliteitsvol deze machine werkt. Maar omwille van tal van technische bezwaren rijden auto’s niet rond met compressiemeters. We lossen dat anders op. Op het dashboard van onze wagen staan een stel wijzers en lampjes. Daarmee worden een set indicatoren weergegeven die ons allen iéts vertellen over de werking van de wagen. Sommige indicatoren zijn digitaal: het lampje van de oliedruk brandt of het brandt niet. Andere zijn zoals de toerenteller: analoog. Op zich vertelt geen van deze indicatoren voldoende. Het is niet omdat de oliedruk goed is dat dus de motor goed werkt. Maar als al die indicatoren samen metingen leveren die binnen aanvaardbare grenzen vallen, dan nemen we aan: deze wagen functioneert goed.

Organisaties kunnen gelijkaardige dashboarden ontwikkelen. Dan gaan ze op zoek naar indicatoren die hen iéts vertellen over hoe goed of hoe slecht hun organisatie werkt. Afzonderlijk zegt geen van die metingen voldoende. Maar als gezamenlijke set van meetresultaten moeten ze voldoende krachtig zijn om beweringen over de kwaliteit van het functioneren van de organisatie te schragen.

Hoe vind je een goede set indicatoren voor je eigen organisatie?

Het is vooral belangrijk dat de voornaamste betrokkenen in de organisatie ervan overtuigd zijn dat die set indicatoren écht vorm geeft aan een gefundeerd waardeoordeel over de werking van het geheel. Vandaar dat het interne gesprek zo belangrijk is: elke organisatie moet zelf een aantal gedragen keuzes kunnen maken.

Waar moet een set indicatoren aan voldoen?

Vooreerst moeten de indicatoren, samen genomen, dekkend zijn voor de hele organisatie. Een internationaal erkend model om dit te garanderen is het EFQM-model. Door indicatoren te definiëren uit 9 verschillende aandachtsgebieden ben je er als organisatie quasi zeker van dat je alle relevante domeinen van je werking mee onder de loep neemt. In het onderwijs wordt nogal eens het CIPO-model gekozen. Dan werk je feitelijk met 4 aandachtsgebieden. Kan ook, iets eenvoudiger, maar ook iets minder verfijnd.

Daarnaast moeten de indicatoren elk op zich maximaal aan een aantal voorwaarden voldoen. Ze moeten liefst eenvoudig meetbaar zijn en geen onmogelijke taaklast met zich meebrengen. Ze moeten valide metingen genereren en geen valse resultaten of interpretatieve verkleuringen teweegbrengen. Ze moeten voldoende gevoelig zijn: ze moeten echt andere meetresultaten geven van zodra de dingen beter of slechter gaan.

Hoe doe je dat, zo een set indicatoren ontwikkelen?

Door het gesprek op te zetten met een aantal betrokkenen in je eigen organisatie. Wat zijn voor ons tekenen dat het bij ons op school goed/slecht gaat? Kan je zo elementen vinden in alle aandachtsgebieden waar we willen mee werken? Zijn de elementen die we vinden eenvoudig meetbaar? Betrouwbaar en valide? Voldoende gevoelig?

Zodra er een voldoende geaccepteerde beginset van indicatoren is, kan het echte werk beginnen. Uit de opvolging van de meetresultaten zal al snel blijken waar het goed gaat en waar minder, waar verbetering zich voordoet en waar de resultaten achteruit gaan. Pas dan begint het echte werk: dan gaan we op zoek naar mogelijke projecten, ingrepen waarmee we effectief aan kwaliteitsverbetering kunnen doen. Maar dat gaat het bestek van dit artikel te buiten. Dat vraagt een stuk over werken met projecten. En een stuk over verbeteren: want onderwijsmensen zijn voorgeprogrammeerd om verbeteren te zien als iets wat je met een rode balpen moet doen. Fouten wegwerken. Terwijl verbeteren even goed, even efficiënt en vaak veel effectiever kan als je juist de sterke punten verder uitbouwt.

Elke organisatie moet zelf een aantal gedragen keuzes kunnen maken.

En de inspectie? En het ROK?

Daar kan het wellicht twee kanten mee uit: ofwel worden de gehanteerde kwaliteitscriteria een cataloog waar scholen met een grote vrijheid kunnen uit kiezen welke indicatoren zij wel en welke zij niet voorop stellen. Dan wordt inspectie een externe kritische vriend die mee helpt zoeken naar waar het goed gaat of beter kan. In het andere geval eindigen deze kwaliteitscriteria in klassieke Vlaamse Onderwijskundige Regelneverij: dan worden de kwaliteitscriteria een opgelegd keurslijf waar alle scholen aan vooraf gedefinieerde minimumnormen moeten voldoen. Of Vlaanderen daar beter van wordt, is dan maar zeer de vraag.

5/6/2018

Geert Timperman

Recentste blogposts:

Overzicht van alle blogposts > > >